|
Eind april-begin augustus in één generatie. Rups: juli-mei van
het derde tot vijfde jaar.
De rups leeft onder de schors en
in het hout van de waardplant en overwintert twee- tot
viermaal;
soms vindt de laatste overwintering plaats in een
cocon.
De rupsengaten zitten laag in de stam (maximaal 1 à
1,5 m boven de grond)
en zijn te herkennen aan de
aanwezigheid van houtpoeder en de zure geur die de rupsen
afscheiden.
Soms worden de grote, glimmende en van boven
purperrode rupsen kruipend aangetroffen
op zoek naar een
geschikte plaats om zich buiten de boom te verpoppen.
De
eieren worden in groepjes afgezet in bastspleten, vaak in de
buurt van oude uitkruip
gaten van rupsen of van andere
beschadigingen. |