Wilgenhoutrups Cossus cossus

Familie: Houtboorders (Cossidae)
Voorkomen: Een heel gewone soort die over het hele land voorkomt
Voorvleugellengte: 32-42 mm
Waardplant: Diverse loofbomen, met een voorkeur voor eik, wilg en populier
Vliegtijd: Eind april-begin augustus in één generatie
  Rups: juli-mei van het derde tot vijfde jaar. De rups leeft onder de schors en in het hout van de waardplant en overwintert twee- tot viermaal; soms vindt de laatste overwintering plaats in een cocon. De rupsengaten zitten laag in de stam (maximaal 1 à 1,5 m boven de grond) en zijn te herkennen aan de aanwezigheid van houtpoeder en de zure geur die de rupsen afscheiden. Soms worden de grote, glimmende en van boven purperrode rupsen kruipend aangetroffen op zoek naar een geschikte plaats om zich buiten de boom te verpoppen. De eieren worden in groepjes afgezet in bastspleten, vaak in de buurt van oude uitkruipgaten van rupsen of van andere beschadigingen.
Foto gemaakt in: Erp